2 september 2025
Drie schrijvers uit de Mijnstreek
Voor de gefilmde bijdrage van Raymond Clement klik hier.
De auteurs Gé Vaartjes, Peter Lenssen en Michael Berg worden deze avond ondervraagd door Jos Verhoeven. Ze komen alle drie uit Heerlen of omgeving en hebben een verleden op het Bernardinus college met elkaar gemeen. Elk is voor langere tijd uit Heerlen vertrokken. Lenssen en Berg keerden terug naar Limburg, Vaartjes niet. Deze laatste kijkt met voldoening en heimwee rond in de zaal van het Royal theater en zegt vergenoegd te zijn dat na vijftig jaar zelfs de muurschilderingen zijn behouden.
Vaartjes heeft als meest recente boek de biografie van Godfried Bomans ‘Vleugelman’ op zijn naam staan. ‘Een biografie is een monument voor iemand die dat verdient.’ Vaartjes kan dat monument pas oprichten als de persoon is overleden, omdat het leven dan volledig is te overzien en geen verrassingen meer kan brengen. Berg en Lenssen schrijven fictie, Berg schrijft thrillers waarvan de meest recente, de elfde - Terugkeer, deel 1 van de trilogie Mergellandmoorden - speelt in de onmiddellijke nabijheid van waar we zitten: in Heerlen en omgeving. Voor Berg begint een verhaal soms met een beeld, soms met een idee. Het meest recente boek van Lenssen is ‘Het theater der herinneringen’. Hij plukt voortdurend dingen uit het leven, soms vanuit een fascinatie uit zijn jeugd.
Berg en Lenssen verzinnen personages en staan voortdurend ‘aan’ om die personages tot leven te laten komen, hen te verrijken, het verhaal aan te vullen. Hun vrijheid is zo groot als hun voorstellingsvermogen het maar toelaat. Voor Vaartjes zou iets verzinnen juist een doodzonde zijn, hij houdt zich aan de feiten, verzamelt een hele grote hoeveelheid gegevens en maakt daaruit met grote zelfbeheersing heel precies die keuzes die de persoon het meest kenmerken en hem recht doen. Bij een biografie kijken mensen mee die de persoon misschien hebben gekend of er zelf in voorkomen.
Het schrijfproces is bij de fictieschrijvers een kluwen van ideeën en gedachten dat zich opbouwt en daarna langzaam ontvouwt en tenslotte gaat liggen als een verhaal. Bij de biograaf is er sprake van een proces van steeds beter begrijpen en invoelen van de persoon waarover hij schrijft.
Berg benadrukt dat schrijven ook een ambacht is. De schrijver moet er voor zorgen dat hij aandacht besteedt aan een levendige afwissing van tempo, beschrijvingen, gebeurtenissen, spanning, dialoog, een structuur die er voor zorgt dat de lezer geboeid blijft.
Het verdriet over ontlezing en het gevaar van kunstmatige intelligentie komen tenslotte ter sprake. De ontlezing is een gedeelde zorg voor alle drie. Lenssen vreest zelfs dat over honderd jaar de huidige taal misschien wel niet meer wordt begrepen door alle taalvernieuwing en verengelsing die in rap tempo ver ons komen. De kunstmatige intelligentie slokt in de large language models alle literatuur digitaal en zonder betaling op en spuugt er teksten uit die elke creativiteit overbodig lijken te maken. Het is voor de auteurs de vraag of mensen die met kunstmatige intelligentie opgroeien straks teksten die door mensen zijn geschreven nog kunnen onderscheiden van teksten die zijn gegenereerd door computers.
Tenslotte vraagt Jos Verhoeven om een boodschap of goede raad van de heren aan de Heerlenaren.
Gé citeert Bomans : ‘We hebben behoefte aan de genade van de twijfel’ en ‘Bekommer je niet teveel om de honing.’
Michel: ‘Het is niet zo erg, lees Berg’ en hij raadt de zaal aan om boeken te geven aan de kinderen en de kleinkinderen en hen voor te lezen
Peter: ‘Heerlenaren, wees meer trots op je stad’ en om met Káthe Kollwitz te spreken: ‘een gave is een opgave.’
Vlnr: Gé Vaartjens, Michael Berg, Jos Verhoeven, Peter Lenssen